Mobiliteits- en parkeervraagstukken verlangen antwoorden waar de een blij van wordt en een ander iets moet inleveren. Om dat goed te managen is durf vereist, zegt veranderkundige Annemarie Mars, maar op de eerste plaats een duidelijk verhaal. Wat wil je precies veranderen en met welk doel? In haar keynote op het Nationaal Congres Parkeren en Mobiliteit neemt Annemarie Mars je mee naar de kern van samenwerken aan gedragsverandering. Een voorproefje:
Annemarie Mars heeft een gruwelijke hekel aan fietsen en wandelen en is haar auto niet uit te krijgen. “Als je mij ervan probeert te overtuigen dat ik moet fietsen of wandelen, omdat het zo gezond is en leuk is, dan krijg je de wind van voren,” zegt ze schaterlachend. “Tegelijkertijd vind ik zorg voor het milieu wel erg belangrijk. Duurzaamheid is een belangrijke waarde voor mij. Ik ben vegetariër en scheid keurig mijn afval.”
Dat is niet irrationeel, zegt ze, maar een “conflicterend gevoel”. “Iedereen heeft die. Als ik met mijn dochter naar de stad ga, kies ik voor gezelligheid in plaats voor duurzaamheid. We pakken dan de auto, omdat ik het ontzettend fijn vind om in de auto, gezellig naast elkaar, een goed gesprek te hebben.” En dat, zegt ze, is nu precies wat je als beleidsmaker moet snappen als je beleidskeuzes moet maken die ander gedrag van mensen verlangen. Mars: “Je kunt rationeel gezien een ijzersterk verhaal hebben waarom een woonwijk autoluw moet worden in ruil voor meer groen en speelplekken voor kinderen, maar het is zeker geen garantie dat je daarvoor bij iedereen de handen op elkaar krijgt.”
Waarden
Als je nieuw beleid wilt doorvoeren, zegt Annemarie Mars, is daarom het eerste wat je moet doen uitzoeken hoe de mensen die het betreft erin zitten. “Op de eerste plaats is het essentieel dat je aansluit bij de waarden – en dus gevoelens – van de mensen die het betreft. Die moet je duidelijk erkennen, wat niet wil zeggen dat je erin mee moet gaan. Het kan zijn dat je tegen mij moet zeggen: ‘Mevrouw Mars, ik heb slecht nieuws voor u. U kunt het in de auto wel gezellig willen hebben met uw dochter, maar dan moet u die gezelligheid toch echt anders gaan organiseren, want met de auto komt u de binnenstad niet meer in.’ Als je dat liefdevol zegt en laat merken dat je de relatie tussen mij en mijn dochter ook belangrijk vindt, maar de leefbaarheid van de stad belangrijker vindt, dan sluit je aan bij mijn behoefte om het gezellig te willen hebben met mijn dochter. Of ik vervolgens boos word, is iets wat je niet kunt controleren.”
Gevoel
Het tweede dat belangrijk, zegt ze, is dat je je doel duidelijk formuleert en welke middelen je wilt inzetten om dat doel te bereiken. Het derde is dat je bepaalt in hoeverre je burgers zeggenschap geeft over welke maatregelen er worden genomen. Mars: “Bij punt twee gaat het erom dat je het probleem duidelijk schetst en duidelijk maakt voor wie je het doet: maak de botsing tussen waarden transparant. Je wilt auto’s uit de binnenstad weren, omdat de bewoners daar lijden onder een zeer slechte luchtkwaliteit die hun levens met enkele jaren bekort. En vervolgens sluit je aan bij de waarden van en maak je verbinding met degenen die daarvoor iets moeten laten.”
Dat doen beleidsmakers trouwens veel te weinig, volgens Mars. “Ze blijven meestal hangen bij het doel en de maatregelen en maken niet de stap naar het concrete probleem en de waarden die daaronder liggen. Dat is wel de crux trouwens als je wilt aansluiten bij de waarden van burgers: dat een wethouder glashelder durft te zeggen wat er misgaat als het voorgestelde beleid niet doorgaat.” En met glashelder bedoelt ze ook dat je je gevoel op tafel legt. “Als je alleen het verstand aan het woord laat en het gevoel niet laat spreken, dan beweegt en verandert er niks.”










